Groene vingers bestaan niet

Met enige regelmaat hoor ik dat mijn planten er zo mooi bij staan. “Alsof ze net uit de winkel komen!” “Of ik soms groene vingers heb?” Dat beschouw ik als een compliment natuurlijk, maar in mijn optiek bestaan groene vingers niet. Het ware geheim is: onthouden of uitzoeken welke plant je koopt.

Vroeger had ik een kamerplantenboek. Je weet wel: zo’n oud, papieren exemplaar met zwart-wit tekeningen en slechts om de 25 bladzijden een kleurenfoto. Zodat je na je zoektocht nog niet zeker wist of je de juiste plant voor je had. Maar zelfs toen lukte het mij om de verzorgingsadviezen te vinden en op te volgen.

Groene vingers
Een greep uit de plantenverzameling

Het is heus niet zo moeilijk, je hoeft geen Mamma Botanica te wezen om een plant in leven te houden.

Kamerplanten zijn hip

Tegenwoordig is het zelfs supermakkelijk te noemen. Planten zijn al jaren hip. De urban jungle is misschien op zijn retour en de Instagramtrend #plantlover dooft langzaam uit. Maar nagenoeg iedere zichzelf respecterende interieurliefhebber is in het bezit van minimaal een cactus, een monstera en een pilea.

Monstera en Sanseveria
Ook wij hebben een Monstera (en Sanseveria)

Bijgevolg is er genoeg te vinden op internet over onze beminde woonkamerflora. Ook als je niet weet hoe je plant heet. Je komt zelfs weg met vage zoektermen als “sprieterig hangplantje” of “puntig blad met gele rand”. Een paar klikken verder weet je alles over de verzorging en standplaats. Kortom: groene vingers bestaan niet; maar een internetverbinding is wel prettig als je besluit je habitat op te leuken met wat levend groen.

Met stekken bouw je reserves op

Pas gestekt

Ik heb altijd al van planten gehouden, trend of niet. Toen ik lang geleden mijn dagen op zee sleet, was het houden van planten onmogelijk. Ik was blij als ik lang genoeg thuis was om een bosje tulpen in leven te houden. Maar toen ik eenmaal weer planten kon hebben, woekerden ze al snel mijn vensterbanken dicht. Stekken, daar had ik nog nooit van gehoord. Van Pokon echter wel, dus het groeide en groeide maar door.

Inmiddels weet ik de boel aardig in toom te houden. Ik knip, snoei en stek; met succes. Het voordeel van stekken is dat je met deze plantenbaby’s een aardige reserve opbouwt. Mocht de moederplant onverhoopt het loodje leggen, heb je wat achter de hand. We hebben alles bij elkaar (inclusief stekken) 67 planten in huis staan op dit moment.

Planten en groene vingers
De helft hiervan is zelf gestekt

Een beetje plantenliefde is gewenst

Groene vingers
“Joehoe, ik heb dorst!”

Ik blijf erbij dat groene vingers niet bestaan, maar ik denk dat een beetje plantenliefde misschien wel nodig is. Ik hoor mijn groene huisgenoten soms bijna vragen om water. Dat is geen heksentrucje (ik zal het maar vast zeggen). Het vraagt maar een ding: goed kijken naar je plant. Dat lukt alleen maar als je er ook écht aandacht voor hebt, dat is het deel waar liefde om de hoek komt kijken.

Die liefde krijgen ze van mij (of eigenlijk: ons, mijn vriend verzorgt ze met net zoveel toewijding). Ze doen het dus erg goed. Alleen nu komt de maar. Sinds een jaar of twee worden onze planten geplaagd door een vervelend vliegje. Het lijkt op een fruitvliegje, maar deze is nog irritanter. Inmiddels is het een ware bron van ergernis, die zelfs mijn plantenliefde bederft. Maar zoals het in de liefde gaat: plantenliefde is een relatie in voor- en tegenspoed.

De gevreesde varenrouwmug

De varenrouwmug

Al vrij snel kwamen we erachter dat het geen fruitvliegje betrof, maar de varenrouwmug (Sciara analis), ook wel rouwvlieg of rouwmug genoemd. Verse biologische tuinkruiden in pot uit de supermarkt en biologische potgrond, zijn bekende bronnen van besmetting.

Twee zaken die ik met regelmaat in huis haal. De varenrouwmug voedt zich met organisch afval, bij voorkeur plantenwortels. Ik zal jullie de details verder besparen, internet staat er vol mee.

Maar wat doe je er tegen?

Misschien herken je het vliegje en heb je er zelf ook last van? In die twee jaar van vliegende overlast  hebben we van alles geprobeerd: de plant licht laten uitdrogen, compleet verpotten (met schoongespoelde wortels), thee van tabak, thee van tijm en vooral veel thee van kaneel. Die kaneelbehandeling leek wel even te helpen, maar de ellendelingen keerden spoedig terug en het leek alsof ze een compleet leger aan versterking hadden meegebracht.

Kaneelbehandeling
Gele bladeren door kaneelbehandeling

Herhaaldelijk behandelen met het kaneelaftreksel bleken de planten ook niet zo vrolijk van te worden. Gele bladeren in diverse plantsoorten was het gevolg. Een beetje ten einde raad zochten we naar andere oplossingen.

Aaltjes worden veel genoemd, maar de resultaten van ervaringsdeskundigen blijken wisselend, neigend naar slecht. Afdekken met zand wordt ook veel beschreven als optie. Maar veel planten worden daar ongelukkig van, zeker als je gewoon zandbakzand gebruikt. Cementzand zou dan beter zijn, maar ik heb ook daar weinig vertrouwen in.

Toch maar wat hekserij erbij

Uiteindelijk werd ergens, in een uithoek van het internet, een heksenbrouwsel aangeboden op basis van knoflook en citroengras. Klinkt op zich lekker, ik kook er vaak mee, maar de mug denkt daar schijnbaar anders over. Het beestje gaat er volgens de beschrijving niet dood van, maar de larven zullen massaal op de vlucht slaan.

Nee, niet de pot uit, zodat je, terwijl je lekker op de bank onder je hangplantje zit te Netflixen, ineens de maden in je nek hebt hijgen. Maar dieper de grond in, waar ze al snel verdwalen/geen eten meer kunnen vinden/ het gewoon niet zo gezellig hebben. Prettig neveneffect: de wortels van je plant worden er sterker van en smaken na de behandeling niet meer zo appetijtelijk voor het larvenleger.

Eigenlijk voor gras

Eigenlijk bedoeld voor gras, maar wij vonden dat het best in huis kan.

Vol goede moed bestelden we een flesje van het heksenbrouwsel. We hadden onze vraagtekens bij de geur die het zou achterlaten, aangezien het bij de kaneelbehandeling bijvoorbeeld dagenlang naar de keuken van Sinterklaas ruikt. Knoflook is dan toch van een ander kaliber. Daarnaast is het spul eigenlijk bedoeld voor grasvelden; buiten dus.

Een terechte argwaan

Onze angst en argwaan bleken terecht: het was niet alleen knoflook met citroengras wat we roken: het was alsof we een kapsalon vol bejaarde, verse permanentkrulhoofden binnen waren gewandeld. De eerste ronde behandelden we maar een handvol plantjes; de grootste infectiebronnen. Zelfs met de ramen en deuren open, afzuigkap en geurkaarsjes aan, was het nog niet uit te houden. Maar ja, alles voor de (planten-)liefde.

Na een paar dagen was de geur weg en tegelijkertijd kwam de voorzichtige conclusie dat het leek te helpen. De tweede knoflooksmurrie-gietronde hielden we bewust toen we een dagje weg gingen. Kokhalzend trokken we de deur dicht, maar in de avond leek het zowaar echt alsof er écht beduidend minder vliegjesactiviteit was.

Inmiddels zijn we een paar dagen verder en voorzichtig optimistisch. We zien aanzienlijk minder vliegjes tot zelfs compleet weg bij voorheen ernstig aangetaste exemplaren. De planten zien er een stuk gelukkiger uit dan na de zoveelste kaneelbehandeling (waarvan ik al lange tijd vermoedde dat ze daar niet blij van werden), maar dat verbeeld ik me vast.

Moraal van het verhaal

Moraal van het verhaal: planten verzorgen vraagt écht niet om groene vingers: wel een goede internetverbinding, een flinke dosis onvoorwaardelijke liefde en enige mate van zelfopoffering.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *